Gezondheidsmonitor

Vaccinatiegraad

In Nederland krijgen alle kinderen en jongeren tot 18 jaar de mogelijkheid om gevaccineerd te worden via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Het RVP is een collectief preventieprogramma dat sinds 1957 door de overheid wordt aangeboden met als doel het voorkomen van ziekte, complicaties en sterfte door middel van vaccinaties.1,2

De vaccinaties van het RVP bieden bescherming tegen twaalf infectieziekten: difterie, kinkhoest, tetanus, polio (samen ‘DKTP’ genoemd), bof, mazelen, rode hond (samen ‘BMR’ genoemd), Haemophilus influenzae type b (Hib), hepatitis B (HepB), meningokokken ACWY (MenACWY vaccinatie), pneumokokkenziekte (Pneu) en baarmoederhalskanker veroorzaakt door Humaan papillomavirus (HPV). Deze vaccinaties worden vanaf de leeftijd van 2 maanden op vastgestelde momenten gegeven.

In de afgelopen jaren is er een (licht) dalende trend zichtbaar in de vaccinatiegraad. Wanneer veel mensen zijn ingeënt tegen een infectieziekte, komt deze ziekte minder vaak voor (groepsbescherming). Ook kwetsbare en niet-ingeënte mensen lopen daardoor minder risico de ziekte te krijgen.2 Om deze groepsbescherming te garanderen, hanteert de WHO een vaccinatiegraad van minimaal 95%. In Nederland wordt er naar gestreefd om minimaal 90% te behalen. Dit komt overeen met het Global Vaccine Action Plan (GVAP). Het doel van dit programma is dat in 2020, in alle landen op de wereld, ten minste 90% van de doelpopulatie is ingeënt.2-4

 

 

 

Mantelzorg ontvangen

Mantelzorg is vrijwillige en onbetaalde zorg aan mensen die voor langere tijd ziek, hulpbehoevend of gehandicapt zijn. Deze zorg wordt gegeven door bekenden zoals bijvoorbeeld familieleden, vrienden of buren.1 Het gaat met name om hulp aan (schoon)ouders, dit speelt bij 45% van de mantelzorgers. Vaak bestaat de zorg uit emotionele ondersteuning (zoals praten, zorgen dat iemand zijn of haar verhaal kwijt kan of troosten), gevolgd door vervoer, hulp in het huishouden en begeleiding bij artsenbezoek.2

Contact met zorgverleners

In Nederland is een aantal ontwikkelingen zichtbaar: het aantal ouderen neemt toe en mensen leven langer, maar met meer chronische ziekten en aandoeningen.1,2 De verwachting is dan ook dat het contact met zorgverleners en het zorggebruik verder zal toenemen.

Zorg voor de jeugd

In de Jeugdwet staat dat gemeenten vanaf januari 2015 verantwoordelijk zijn voor jeugdhulp en de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.1

Jeugdhulp betreft hulp en zorg aan kinderen of jongeren (0 tot en met 17 jaar) en hun ouders/verzorgers. Jeugdhulp kan worden ingezet bij psychische, psychosociale en of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders/verzorgers. Ook bestaat er jeugdhulp met verblijf, waarbij de jongere niet thuis slaapt tijdens de weekenden of door de week (zoals logeerhuizen).

Jeugdbescherming is een maatregel die de rechter dwingend oplegt. Dat gebeurt als een gezonde en veilige ontwikkeling van een jeugdige (0 tot en met 17 jaar) wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet (voldoende) helpt. Een kind of jongere wordt dan 'onder toezicht gesteld' of ‘onder voogdij geplaatst’.

Jeugdreclassering is voor jongeren vanaf 12 jaar, die voor hun 18e verjaardag met de politie in aanraking zijn geweest. Ze hebben daarvoor een proces-verbaal hebben gekregen. De jongere krijgt begeleiding op maat van een jeugdreclasseringswerker. Dit kan doorlopen tot de jongere 23 jaar wordt. Jeugdreclassering wordt opgelegd door een kinderrechter of de officier van Justitie of kan worden opgestart door de Raad voor de Kinderbescherming op eigen initiatief van de jongere.

Er zijn verschillende risicofactoren bekend voor het ontwikkelen van opvoed- en ontwikkelingsproblemen waarvoor hulp uit de Jeugdwet nodig is. Risicogroepen die vaker gebruik maken van deze hulp zijn jongeren met moeilijk gedrag, een laag IQ en/of een (ernstige) verstandelijke beperking. Ook jongeren die opgroeien in een eenoudergezin en/of een achterstandsbuurt zijn risicogroepen die vaker gebruik maken van hulp uit de Jeugdwet. Daarnaast vergroot verslavings- psychische en/of (chronische) lichamelijke problematiek bij de ouders de kans op het nodig hebben van hulp uit de Jeugdwet.2

Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de deelname van mensen met een beperking of psychische problematiek aan het maatschappelijke verkeer (participatie). Ook moeten zij een passende ondersteuning bieden waarmee mensen in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden (zelfredzaamheid).1 De gemeente geeft ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).2 De ondersteuning wordt geregeld door middel van een ‘maatwerkvoorziening’. Deze voorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteuningsaanbod.1

Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen zijn aanpassingen in de woning, een rolstoel, een vervoersvoorziening, vervoer in de regio, huishoudelijke hulp, individuele begeleiding, dagbesteding op maat, respijtzorg, ondersteuning van mantelzorgers, een beschermde woonplek of maatschappelijke opvang.3 Ook zijn er algemene voorzieningen vanuit de Wmo beschikbaar, die snel, incidenteel en voor iedereen te gebruiken zijn op het moment dat hulp gewenst is.4 Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn een boodschappenservicedienst, een warme maaltijdvoorziening of een buurthuis.

Bevolkingsonderzoeken borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker

In Nederland wordt onder de volwassen bevolking een drietal bevolkingsonderzoeken uitgevoerd; borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.

Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen in Nederland. Per jaar worden ongeveer 14.000 gevallen van (invasieve) borstkanker geconstateerd. Dit betekent dat één op de acht vrouwen in Nederland in haar leven borstkanker krijgt. Jaarlijks overlijden er ongeveer 3.000 vrouwen aan de gevolgen van borstkanker. Erfelijkheid is de grootste risicofactor van borstkanker. Vanaf 1990 bestaat er een landelijk bevolkingsonderzoek voor borstkanker in Nederland. In 2014 werden ongeveer 6.800 borstkankers ontdekt via het bevolkingsonderzoek.1,2

Per jaar krijgen ongeveer 700 vrouwen de diagnose baarmoederhalskanker en overlijden er 200 tot 250 vrouwen aan deze ziekte. Baarmoederhalskanker komt het meest voor bij vrouwen van 35 tot en met 45 jaar. Het wordt veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV).3,4 Vanaf het moment dat vrouwen seksueel actief zijn, kunnen ze besmet raken met dit virus. Sinds 2009 worden meisjes van 12 jaar gevaccineerd tegen HPV.5 Sinds 1996 is er een landelijk bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Zonder dit bevolkingsonderzoek zouden er ongeveer 500 vrouwen per jaar overlijden.3,4

In 2015 kregen ruim 15.000 mensen in Nederland kanker in de dikke darm. Daarmee is dit de meest voorkomende vorm van kanker in Nederland. Ongeveer 1 op de 20 mensen krijgt in zijn of haar leven darmkanker. Jaarlijks overlijden er ongeveer 5.000 mensen aan deze ziekte. Darmkanker ontstaat meestal door een bultje in de wand van de dikke darm, een poliep genoemd. Poliepen komen in verhouding veel voor bij mensen ouder dan 55 jaar. Leeftijd is dan ook een van de belangrijkste risicofactoren bij het ontstaan van darmkanker. Daarbij hebben mensen waarvan een naast familielid darmkanker heeft gehad, meer kans om dit te krijgen. Om darmkanker zo vroeg mogelijk op te sporen, wordt vanaf 2014 het bevolkingsonderzoek naar darmkanker uitgevoerd. In dat jaar spoorde het bevolkingsonderzoek bijna 2.500 mensen met darmkanker op.6,7

Wet langdurige zorg (Wlz)

De Wet langdurige zorg (Wlz) is de opvolger van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en is op 1 januari 2015 van kracht geworden. Deze wet regelt zware, intensieve zorg voor kwetsbare ouderen, mensen met een handicap en mensen met een psychische aandoening.1 Voorbeelden van zorg vanuit de Wlz zijn verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en medische zorg. Het is niet gericht op genezing maar op (verbeteren van) de kwaliteit van leven.2

Om gebruik te kunnen maken van zorg vanuit de Wlz is een indicatie nodig. Het Centrum Indicatiestellingstelling zorg (CIZ) kijkt of iemand recht heeft op zorg vanuit de Wlz en geeft een indicatie. De zorg wordt vooral in verpleeghuizen en andere (zorg)instellingen geleverd maar kan ook thuis worden ontvangen.1

Niet iedereen die tot 2015 onder de ABWZ viel, voldeed aan de voorwaarden om zorg vanuit de Wlz te krijgen. Voor hen gold een overgangsregeling tot 1 januari 2016. Voor een kleine groep mensen is de overgangsregeling verlengd. Deze verlenging hangt samen met het type zorg dat men vanuit de AWBZ ontving. Per type zorg is er dus sprake van een andere duur.1,3

Spoedeisend ambulancevervoer bij ouderen

Ambulancezorg maakt onderdeel uit van de Regionale Ambulance Voorzieningen (RAV) Haaglanden, een samenwerkingsverband van drie ambulancevervoerders binnen Haaglanden.1 Vanuit ambulancezorg wordt onder andere (ambulante) zorg aan en vervoer van patiënten of slachtoffers van ongelukken verleend. Deze zorg bestaat uit spoedeisend vervoer, inzet van rapid responders (eerste hulp, maar geen vervoer naar ziekenhuis) en besteld vervoer. Binnenkomende telefoontjes worden door de Meldkamer Ambulancezorg Haaglanden verwerkt volgens het Nederlands Triage Systeem en verdeeld over de verschillende locaties van uitrijden.2 Gegevens worden daarbij vastgelegd in een elektronische ritadministratie volgens een landelijk protocol.3

Kwetsbaarheid bij ouderen is een proces van het opeenstapelen van lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten in het functioneren, dat de kans vergroot op negatieve gezondheidsuitkomsten (functiebeperkingen, opname, vroegtijdig overlijden).4 In het kader van de publieke gezondheid is het van belang inzicht te hebben in de lokale omvang van spoedeisend ambulancevervoer bij ouderen.