Gezondheidsmonitor
2 Participatie.svg

Deze tekst beschrijft het aantal en de kenmerken van minimahuishoudens in Pijnacker-Nootdorp en de regelingen die voor deze huishoudens beschikbaar zijn. Ook wordt een overzicht gegeven van het percentage kinderen en jongeren (0 tot en met 17 jaar) dat opgroeit in een minimahuishouden of in een bijstandsgezin. De resultaten over (opgroeien in een) minimahuishouden komen uit de Armoedemonitor Pijnacker-Nootdorp 2015. De gegevens over bijstandsgezinnen zijn gebaseerd op gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

In Pijnacker-Nootdorp spreekt men van een minimahuishouden wanneer het inkomen maximaal 110 procent van het wettelijk sociaal minimum bedraagt.5 Bij gezinnen die rondkomen van een bijstandsuitkering, zit het inkomen op 100 procent van het wettelijk sociaal minimumloon.a,6

a Deze norm is voor gehuwden en samenwonenden. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders ligt deze norm op 70 procent van het wettelijk sociaal minimum. De uitkering voor jongeren van 18 tot 21 jaar wordt afgeleid van de kinderbijslag.

Minimahuishoudens (18 jaar en ouder)

Een op de vijfentwintig huishoudens in Pijnacker-Nootdorp heeft een inkomen tot 110% van het sociaal minimum

In Pijnacker-Nootdorp richt het minimabeleid zich op huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het wettelijk sociaal minimum. Uit de Armoedemonitor 2015 van de gemeente Pijnacker-Nootdorp blijkt dat in 2015 3,9% van de huishoudens in Pijnacker-Nootdorp een inkomen tot 110% van het sociaal minimum heeft (tabel 1). Het gaat in totaal om 794 huishoudens. In 2014 was het percentage huishoudens met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum 4,0%, in 2013 3,6%.5

 

Tabel 1. Huishoudens naar inkomen in percentage van het wettelijk sociaal minimum. Pijnacker-Nootdorp 2013-2015.
PN_2.3b_Armoede_T1.png

Ruim de helft van de minimahuishoudens heeft al drie jaar of langer een laag inkomen

Bijna de helft van de huishoudens dat in 2015 een inkomen tot 110% van het sociaal minimum heeft (47%) krijgt inkomen vanuit de Participatiewet (bijstandsuitkering), ongeveer een op de zes (16%) ontvangt AOW en ruim een derde (37%) heeft een andere bron van inkomen, zoals werk of een WW-uitkering. Ruim een derde van de minimahuishoudens (37%) is alleenstaand, 23% bestaat uit meerpersoonshuishoudens met kinderen, 21% uit meerpersoonshuishoudens zonder kinderen en 19% uit eenoudergezinnen. Wat betreft leeftijd vormen minimahuishoudens waarvan de oudste persoon in het huishouden tussen de 45 en 64 jaar is de grootste groep (49%). In een derde van de minimahuishoudens (32%) is de oudste persoon in het huishouden tussen de 27 en 44 jaar. Ruim de helft van alle minimahuishoudens (54%) moet in 2015 al drie jaar of langer rondkomen van een dergelijk inkomen.5

Overzicht van regelingen in het minimabeleid van Pijnacker-Nootdorp

Het minimabeleid in de gemeente Pijnacker-Nootdorp kent verschillende soorten regelingen. De uitvoering is meestal lokaal, maar enkele regelingen worden landelijk uitgevoerd. De verschillende regelingen hebben inkomensgrenzen die zijn afgeleid van normen uit de Participatiewet. Tabel 2 geeft deze grenzen in procenten van het wettelijk sociaal minimum (wsm) weer, met erachter hoeveel huishoudens van de gemeente Pijnacker-Nootdorp in deze doelgroep vallen en hoeveel huishoudens gebruik maken van deze regelingen. Ook wordt het bereik van de regelingen weergegeven. Het bereik binnen de doelgroep is het grootst bij kwijtschelding van lokale heffingen: 81% van de doelgroep gebruikt deze. Het bereik binnen de doelgroep is het laagst bij de collectieve zorgverzekering (9%) en schoolkosten (8%).5

Tabel 2. Overzicht inkomensgrenzen, doelgroep, gebruik en bereik per regeling in het minimabeleid. Pijnacker-Nootdorp 2015.
PN_2.3b_Armoede_T2.png

Vier op de vijf minimahuishoudens maakt gebruik van een of meerdere regelingen

Tabel 3 geeft weer van hoeveel regelingen minimahuishoudens in Pijnacker-Nootdorp gebruik maakten in 2015 (cumulatief gebruik). Het betreft hier huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het wettelijk sociaal minimum. Een huishouden kan theoretisch gezien van zeven voorzieningen gebruik maken. Omdat het recht op een regeling afhankelijk is van een groot aantal verschillende criteria komt dit in de praktijk nauwelijks voor. Gemiddeld hebben de minimahuishoudens in Leidschendam-Voorburg in 2015 van 1,4 regelingen gebruik gemaakt. Een op de vijf minimahuishoudens (21%) maakt van geen enkele regeling gebruik. Ruim vier op de tien (44%) maakt gebruik van één regeling, een derde van twee of meer regelingen.5

Tabel 3. Cumulatief gebruik van regelingen door huishoudens met een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum. Pijnacker-Nootdorp 2015.
PN_2.3b_Armoede_T3.png

Kinderen en jongeren (0 tot en met 17 jaar)

Bijna een op de twintig kinderen in Pijnacker-Nootdorp groeit op in een minimahuishouden

In totaal groeit 4,8% van de kinderen en jongeren (0 tot en met 17 jaar) in Pijnacker-Nootdorp in 2015 op in een huishouden met een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum (tabel 4). Het gaat in totaal om 639 kinderen. Van de kinderen in eenoudergezinnen groeit ongeveer een op de vijf op in een minimahuishouden. Bij kinderen in meerpersoonshuishoudens ligt dit percentage op 3%.5

Tabel 4. Percentage kinderen en jongeren (0 tot en met 17 jaar) dat opgroeit in een huishouden met een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum. Pijnacker-Nootdorp 2015.
PN_2.3b_Armoede_T4.png

Drie procent van de kinderen in Pijnacker-Nootdorp groeit op in een bijstandsgezin

Sinds 2012 stijgt het aantal minderjarige kinderen in bijstandsgezinnen in Nederland ieder jaar. In 2016 woonden ruim 230.000 kinderen en jongeren (0 tot en met 17 jaar) in Nederland in een bijstandsgezin (7%). In 2012 waren dit er 199.420 (6%). In Pijnacker-Nootdorp groeit 2,9% van de kinderen op in een bijstandsgezin (figuur 1). In 2012 was dit 2,4%.7

Figuur 1. Percentage kinderen en jongeren (0 tot en met 17 jaar) in een bijstandsgezin. Pijnacker-Nootdorp 2012-2016.
PN_2.3b_Armoede_F1.png
  1. Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Armoede in kaart. [Online]. 2016 (bezocht op 20 sept 2017); Beschikbaar op URL: https://digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2016/wat_is_armoede/.
  2. Winsemius A, Ballering C, Scheffel R, Schoorl R. Wat werkt bij sociaal en gezond? Over de bijdrage van sociale factoren aan gezondheid. Movisie: Utrecht; 2016.
  3. Sociaal-Economische Raad (SER). Opgroeien zonder Armoede. Den Haag; 2017.
  4. Nederlands Jeugdinstituut (NJI). Opvoeden en opgroeien in armoede. Utrecht; 2015.
  5. Schoot Uiterkamp, T., van Putten, B. Armoedemonitor 2015 gemeente Pijnacker-Nootdorp. KWIZ: Groningen; 2016.
  6. Wat is de bijstandsnorm per 1 juli 2017? [Online]. 2017 (bezocht op 7 sep 2017); Beschikbaar op URL: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bijstand/vraag-en-antwoord/wat-is-de-bijstandsnorm.
  7. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Kinderen in bijstandsgezinnen augustus 2017. [Online]. (bezocht op 29 aug 2017); Beschikbaar op URL: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/33/aantal-kinderen-in-bijstandsgezinnen-opnieuw-gegroeid en https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2017/33/kinderen-in-bijstandsgezinnen.
Deel dit artikel
Print dit artikel
Abonneer je op de RSS feed
Download meerdere kernboodschappen en publicaties

Over dit onderwerp

Als iemand gedurende een langere tijd niet de middelen heeft om te kunnen beschikken over de goederen en voorzieningen die in zijn samenleving als minimaal noodzakelijk gelden, wordt gesproken van armoede.1 Geldzorgen, schulden en armoede hebben een sterk negatieve invloed op de fysieke en mentale gezondheid en de levensverwachting van mensen.2 Opgroeien in armoede heeft ook verschillende effecten op kinderen. Het kan bijvoorbeeld leiden tot lagere schoolprestaties, een grotere kans op voortijdig schoolverlaten, probleemgedrag, een hogere kans op gezondheidsproblemen en een kans op sociale uitsluiting én op leven in armoede als zij volwassenen zijn.3,4